Diagnose en onderzoek

Om longfibrose vast te kunnen stellen is een uitgebreid onderzoek nodig, ook om andere ziekten uit te sluiten.  Allereerst is een goede anamnese (vraaggesprek) tussen de dokter en de patiënt van groot belang. Hierbij wordt o.a gevraagd naar contacten met stoffen in werkomgeving en hobby, medicijnen, klachten van andere organen en ziekten bij familieleden.

 

Daarnaast zullen er verschillende onderzoeken gedaan worden zoals een lichamelijk onderzoek, longfunctieonderzoek, een röntgenfoto en/of HRCT-scan, bloedonderzoek en in sommige gevallen een bronchoscopie. Als er na deze onderzoeken nog onduidelijkheid bestaat is het soms noodzakelijk om een stukje longweefsel weg te halen met een kijkoperatie.  Er is in Nederland een aantal ziekenhuizen dat gespecialiseerd is in onderzoek en behandeling van longfibrose.

 

Hieronder leest u meer informatie over de verschillende onderzoeken.

 

Röntgenfoto 

Op een röntgenfoto van de borst kan men afwijkingen zien. Deze geven vaak een globaal beeld.  Een aanvullende CT-scan van de longen wordt altijd gemaakt als er verdenking is op longfibrose.

 

High Resolution Computed Tomography (HRCT) scan 

Bij een CT scan van de borst worden röntgenfoto’s gemaakt waarbij een arts de longen als het ware laagje voor laagje kan bekijken.

 

Bloedtesten 

Analyse van het bloed kan een aanwijzing geven voor de onderliggende oorzaak van van de longfibrose. Daarnaast kan men met het bepalen van het zuurstofgehalte in een slagader beoordelen of de longblaasjes voldoende zuurstof op kunnen nemen en koolzuur uit kunnen scheiden.

 

Longfunctietesten (ademhalingstesten) 

Bij ademhalingstesten moet de patiënt door een mondstuk, verbonden aan een computer, in- en uitademen. De uitslag van deze meting geeft de arts inzicht omtrent de inhoud en het functioneren van de longen.

 

Bronchoscopie en bronchoalveolaire lavage (longspoeling)

Met behulp van een bronchoscoop (dun slangetje met een camera) kan men de longen van binnen inspecteren. Allereerst worden de luchtwegen van binnen grondig bekeken. Als er afwijkend slijmvlies wordt gezien, kan er een stukje weefsel worden weggenomen (biopsie). Dit is niet pijnlijk. Vervolgens wordt de long met een beetje onschadelijke vloeistof gespoeld. Dit noemt men een bronchoalveolaire lavage (BAL). Vervolgens wordt de ingebrachte vloeistof zoveel mogelijk teruggezogen en onderzocht. Dit spoelen van de long is met name zinvol in het beginstadium van de diagnose van de longfibrose. Het kan behulpzaam zijn bij het uitsluiten van andere oorzaken van de gevonden afwijkingen.

 

Longbiopsie 

Als bovengenoemde onderzoeksmethoden onvoldoende zijn om de specifieke diagnose longfibrose te kunnen stellen is het soms noodzakelijk om een stukje longweefsel weg te halen. Via een kijkoperatie of open longbiopsie wordt een stukje longweefsel verwijderd. Dit materiaal wordt in het laboratorium onderzocht door een patholoog om de oorzaak en soort fibrose in de longen te bepalen. Daarna zullen de patholoog, longarts en radioloog bijeenkomen om alle uitslagen te bespreken en tot een conclusie te komen. Deze manier wordt als gouden standaard beschouwd om te bevestigen dat een patiënt een bepaalde vorm van longfibrose heeft.